De architect

J. H. van den Broek

Johannes Hendrik (Jo) van den Broek
Rotterdam, 4 oktober 1898 – Den Haag, 6 september 1978

Johannes Hendrik van den Broek wordt in 1898 geboren als zoon van een aannemer. Hij volgt eerst een opleiding tot onderwijzer (1913-1917) in Nijmegen. Na het afronden van zijn opleiding tot bouwkundig ingenieur aan de Technische Hogeschool (1919-1924) te Delft is hij van 1924 tot 1927 werkzaam op het bureau van architect B.J. Ouëndag.

In 1927 start Jo van den Broek een eigen architectenbureau in Rotterdam, dat vooral opdrachten uitvoert voor woningbouwverenigingen en particulieren. Bekend is onder meer het project aan de Vroesenlaan in de wijk Blijdorp in Rotterdam. In 1937 volgt Van den Broek de overleden Van der Vlugt op als partner van J.A. Brinkman. Samen realiseren zij onder meer de vertrekhal van de Holland-Amerikalijn (1937-1938) in Rotterdam.

Van den Broek raakt na het bombardement van Rotterdam in 1940 betrokken bij de discussie over de wederopbouw van Nederland via zijn adviseurschap van het Adviesbureau Stadsplan Rotterdam (1943) en door zijn lidmaatschappen van Opbouw Rotterdam, van de voorbereidingscommissie van het Bouwcentrum (1944) en van de Kerngroep van de Studiegroep Woningarchitectuur (1945-1954). Samen met Van Tijen, Brinkman en Maaskant publiceert hij de studie Woonmogelijkheden in het Nieuwe Rotterdam (1941).

Van den Broek speelt een belangrijke rol in het proces van institutionalisering en verwetenschappelijking van de naoorlogse woningbouw. Hij maakt deel uit van de adviescommissies van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting (1947), van de Stichting Studiegroep Efficiënte Woningbouw (1947-1965), en heeft de leiding bij de oprichting van de Consumentenstichting ‘Goed Wonen’ (1946) en het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) in 1956. In 1947 wordt hij bovendien benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de architectuur bij de afdeling Bouwkunde van de TH Delft.

Hij levert een bijdrage aan het internationale debat via zijn lidmaatschap van de Union Internationale des Architectes (UIA) en van het Comité de Liaison des Architectes du Marché Commun.

In 1948 komt J.B. Bakema het bureau versterken. Na Brinkmans overlijden opereren de twee vanaf 1951 onder de naam Architectenbureau Van den Broek en Bakema. Het duo laat zich inspireren door het Nieuwe Bouwen en speelt een belangrijke rol in de naoorlogse architectuurgeschiedenis. Van den Broek overlijdt in 1978.

Architectenbureau Van den Broek en Bakema

Het architectenbureau Van den Broek en Bakema vindt zijn oorsprong in de samenwerking die de architecten J.A. Brinkman (1902-1949) en Leendert van der Vlugt (1894-1936) in 1925 aangaan. Brinkman, afgestudeerd aan de Technische Hogeschool in Delft en zoon van architect Michiel Brinkman (1873-1925), vormt het zakelijk brein in deze samenwerking. Van der Vlugt, opgeleid aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische wetenschappen in Rotterdam en zoon van een aannemer, is vooral de bevlogen ontwerper en pionier van het Nieuwe Bouwen binnen dit duo. Het bureau Brinkman en Van der Vlugt verwerft wereldfaam met projecten als de Van Nellefabriek (1925-1931), het woonhuis Van der Leeuw (1927-1929), de villa Sonneveld (1928-1932) en het stadion Feijenoord (1934-1936) in Rotterdam.

Na het overlijden van Van der Vlugt wordt zijn werk voortgezet door Jo van den Broek (1898-1978), terwijl Jaap Bakema (1914-1981) vanaf 1948 het bureau komt versterken. Jo van den Broek is opgeleid aan de Technische Hogeschool Delft, Bakema aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam. Na het vroege overlijden van Brinkman wordt het bureau vanaf 1951 voortgezet onder de naam Architectenbureau Van den Broek en Bakema, dat vervolgens uitgroeit tot een van de grootste en meest productieve architectenbureaus van Nederland uit de jaren vijftig, zestig en zeventig van de twintigste eeuw. Van den Broek en Bakema houden het Nieuwe Bouwen als koers aan en groeien uit tot de meest bekende architecten van de Wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het bureau wordt over de hele wereld bekend met het ontwerp voor het autovrije winkelcentrum de Lijnbaan (1951-1953) in Rotterdam. Andere projecten zijn onder andere de Aula van de TU Delft (1959-1966), het Pampusplan uit 1964, een uitbreiding van Amsterdam op een eiland in het IJ, het ontwerp voor gehandicaptendorp Het Dorp (1962) bij Arnhem en het raadhuis van Terneuzen (1972). Ook over de grenzen komt een aantal projecten tot stand: het hoofdkantoor voor Siemens in München (1971-1978), met Joost Boks en Gerrit Rietveld verzorgt het bureau het Nederlandse Paviljoen op de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958 en in samenwerking met Carel Weeber en Wim Crouwel het expopaviljoen voor de wereldtentoonstelling in Osaka in 1970.

Van den Broek en Bakema zijn beiden hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft. Bakema is bovendien lid van Team X, de groep jonge architecten die het 10de CIAM-congres in Dubrovnik organiseert, en redacteur van het tijdschrift Forum. In 1978 overlijdt Van den Broek en in 1981 Bakema, waarna hun medewerkers het bureau onder dezelfde naam voortzetten.

J. H. van den Broek

Opleiding

Technische Hogeschool, Delft/1919-1924

Nevenactiviteiten

  • Adviesbureau Stadsplan Rotterdam/adviseur/1943
  • Voorbereidingscommissie van het Bouwcentrum/lid/1944
  • Kerngroep van de Studiegroep Woningarchitectuur/lid/1945-1954
  • Adviescommissies van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting/lid/1947
  • Consumentenstichting ‘Goed Wonen’/leiding oprichting/1946
  • Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB)/betrokken bij oprichting/1956
  • Technische Hogeschool, Delft/hoogleraar/1947(vanaf)
  • Union Internationale des Architectes (UIA)/lid/
  • Comité de Liaison des Architectes du Marché Commun/lid/

Tekst: Het Nieuwe Instituut